Waterpolitie draagt bij aan veiligheid in waterrijk Almere

Door Robert Mienstra
ALMERE – Na een paar minuten is het meteen raak op het Weerwater. De agenten van de Almeerse waterpolitie spotten een rode speedboot met opvallend gedrag ter hoogte van het Lumièrestrand. Almere DEZE WEEK voer op de politieboot een middag mee op patrouille

V.l.n.r. Hans Jansen, Andries Sloterwijk en Ro Teunissen wachtend voor het sluisje in De Kromme Wetering. “Wij zijn er om de veiligheid op het water te bevorderen.” (Foto: Almere DEZE WEEK)

.
Agent en schipper Andries Sloterwijk meert af naast de speedboot. “Je gaat een beetje snel”, opent hij het gesprek. “Weet je hoe hard je hier mag?” De jongen zegt na enig nadenken “twintig kilometer per uur?” Sloterwijk schudt zijn hoofd: “Maximaal negen”, zegt hij. Na controle blijkt dat de bestuurder van de speedboot niets op orde heeft. Geen vaarbewijs, geen identiteitskaart, geen zwemvesten en geen dodemanskoord. Dit is meer dan genoeg reden voor de agenten om een bon uit te schrijven. De bestuurder van de speedboot wordt op deze zonnige dag ruim vijfhonderd euro armer en wordt gesommeerd het water te verlaten. “Levensgevaarlijk om zo het water op te gaan”, schudt Sloterwijk zijn hoofd, “zo vlak bij het strandje zonder dodemanskoord.”

Op orde


Schippers Hans Jansen en Andries Sloterwijk worden vandaag vergezeld door wijkagent Ro Teunissen. “Almere is een heel waterrijk gebied”, legt Jansen uit terwijl de boot moet wachten om door het sluisje bij De Kromme Wetering te gaan.” Al varend bestuderen ze continue de omgeving. Dat dat nodig is blijkt even verderop op de Hoge Vaart. In de verte heeft een speedboot er flink de sokken in. Maar die is geen partij voor de politieboot. "Die speedboot daar vaart ruim veertig”, concludeert Sloterwijk. De boot wordt stil gehouden. “Ik weet het, ik vaar te hard”, zegt een goedlachse vijftiger die met zijn vrouw een tochtje maakt. De man blijkt alles op orde te hebben, van documenten tot veiligheid. Goedkeurend knikken Jansen en Sloterwijk. “U komt er af met een waarschuwing. Houd het rustig.” Na een ferme handdruk gaat het verder.

Brugspringers


“Brugspringers”, wijst Jansen naar de Appelbrug ter hoogte van de woonboten bij Tussen de Vaarten. Een groepje jongeren heeft de handdoeken uitgespreid bij de brugpilaren en staat op het punt van de hoge brug te springen. “Hier zijn een paar jaar geleden twee kinderen verdronken”, zegt Jansen. “Ze bleven bij het van de kant springen steken in de modder. Er is zelfs een monumentje voor hen.”
De jongeren wordt gewezen op de gevaren van het brugspringen. “Er kunnen winkelwagentjes en fietsen op de bodem liggen”, waarschuwt Sloterwijk. “Dit is echt gevaarlijk.” De jongens schrikken. Zeker als ze te horen krijgen dat er op brugspringen 140 euro boete zit. “En terecht”, zegt Jansen. “Als je weet wat er mis kan gaan, ook met het scheepvaartverkeer hier. En dan doen ze het ook nog eens vlak bij dat monumentje.”

Nomaden


In de Hoge Vaart wijzen de agenten op een aantal ‘spookbootjes’. “Daar wonen waternomaden in”, legt Sloterwijk uit, “zwervers op het water. Plotseling maakt de politieboot een scherpe draai. “Dat bootje ligt aan een invalidenaanlegsteiger”, zegt Jansen. Dichterbij gekomen krijgt het bootje meer belangstelling. Het is zwaar verwaarloost, een raam ontbreekt in de kajuit en een hondje gaat binnen tekeer. Verder is er niemand te zien. Er staat een oude fiets op de aanlegsteiger. “Toch maar even binnenkijken”, zegt Teunissen. “Voor het zelfde geld ligt er iemand binnen die onwel is geworden.” Teunissen en Sloterwijk gaan aan boord. “Goedemiddag, politie”, roepen ze. Er is inderdaad niemand aanwezig. “Kijk nou”, zegt Teunissen. “Een bak met hennepplanten.” De planten worden meteen vernietigd. Jansen laat een briefje achter voor de eigenaar. “Dan weet hij dat de politie zijn wietplanten heeft geruimd.” Dit bootje gaan de agenten niet vergeten.

Noorderplassen


Op de Noorderplassen is het weer een paar keer raak. Speedboten die te snel varen. Ze komen er met een waarschuwing vanaf. “Het is belangrijk dat we aanwezig zijn op het water”, zegt Jansen. “Mensen moeten weten dat we altijd kunnen opduiken. Dat bevordert de veiligheid op het water. Kijk daar, die jongen staat ons te filmen. Dat gaat de social media op. Heel goed, dan weet iedereen dat we er zijn.”
Even later wijst Jansen naar de huizen langs de Noorderplassen. “Daar op de hoek hebben ze een waterscooter aangemeerd. Aan dat ding hebben ze niks, want je mag er hier niet mee varen. Veel te gevaarlijk. Kijk daar zwemmen kinderen, daar ligt iemand op een surfplank. Zo’n waterscooter heb je niet voor een rustig tochtje, maar juist om te stunten. Echt gevaarlijk hier.”
Dan gaat het langs een bootje dat midden op de plassen ligt te dobberen. De agenten kijken even of de boot bemand is. Op de bodem blijkt een dame te zonnen. Na een vriendelijke groet gaat het weer verder. Om weer een snelvaarder stil te leggen. Alles is verder op orde. “Mijn motor doet raar”, zegt de schipper. “Haal hem eens op”, zegt Sloterwijk. “Je wateruitlaat van de koeling doet het niet goed”, zegt de agent. “Doorsteken met een stukje draad los je dat zo op.” De waterpolitie is er niet alleen om te handhaven. . “Daar waar we kunnen helpen, dan doen we dat ook”, zegt Sloterwijk.
Nu wijst Teunissen. “Daar op de oever troffen we een man aan die in een tentje woonde. Een dakloze. Daar hebben we hulpverlening voor ingeschakeld. Nu heeft hij een bed en een dak boven zijn hoofd bij het Leger des Heils.”

Gespot


En opnieuw brugspringers, nu in Kruidenwijk. Deze zijn een stuk minder gezeglijk. Na de waarschuwingen van Sloterwijk zegt een jongen van een jaar of achttien: “Ach, dit boeit me niet.” Hij wil met de agent in discussie. “Het kost je wel honderdveertig euro”, zegt de agent. Dan verlaten de jongeren de brug. Een kilometer verder krijgen de agenten een melding. De jongeren zijn weer aan het springen. “Iemand die ons had gezien, heeft gebeld”, zegt Sloterwijk. Hij seint de collega’s van de wal in om een kijkje gaan nemen.

Warm onthaal


Opvallend is dat de meeste schippers de politieagenten warm onthalen, dat hun aanwezigheid op prijs wordt gesteld. Bijna altijd is er een groet of een kort praatje. Kinderen op de wal zwaaien dansend naar de boot. “Onze aanwezigheid wordt positief gewaardeerd door het publiek”, zeggen de agenten. Dan lachend: “Nou ja, niet altijd.”
De bewoners van de woonboten in de Lange Wetering zwaaien. “Voor hen is het prettig dat ze weten dat we hier ook komen”, zegt Jansen. “Ze wonen hier best afgelegen.”

Artikel geplaatst op: 14 augustus 2018 - 14:35

Gerelateerd

Delen